Vraag: Dat over objectief en subjectief is wel een lastige voor mij.

Tom: Ok. In principe, wanneer je doodgaat – in mensenterminologie – dan kom je in een soort van tussenfase terecht. Die realiteit creëer je zelf en is bedoeld om de overtuigingen die je van hier hebt meegenomen van je af te schudden, als het ware. Daarbij hoort ook de objectiviteit die je nodig hebt binnen deze realiteit. Wat er daarna overblijft is je eigen subjectiviteit. Subjectiviteit wordt dan niet langer geïnterpreteerd, vertaald, beïnvloed door objectiviteit en rationaliteit. Die heb je dan niet meer nodig.

Wat heeft een kind van drie dat vrolijk speelt nodig aan objectiviteit? Ik zeg niet dat je een kind wordt, dat is niet wat ik zeg. Je wordt niet 'kinds', ook al lijken sommigen daarop te hopen of naar te streven (lacht). Ik doel op de beleving in het nu, op het je niet bezighouden met het vorige of volgende moment. Om je bezig te houden met het vorige of volgende moment heb je objectiviteit nodig. Objectiviteit creëert een rationele, lineaire tijdlijn. Maar een kind van drie leeft niet in een lineaire wereld. Het leeft in een wereld van nu, in een verzameling van ervaringen, waar het van alles beleeft. Een kind heeft dus ook geen haast. Een kat ook niet. Een kat heeft geen haast, dieren hebben geen haast. Een kat kan een uur voor de deur zitten terwijl jij die al die tijd voor niets openhoudt (lacht). Of de kat dan ook daadwerkelijk naar binnen loopt hangt af van het moment. De kat heeft overwogen om naar binnen te gaan, het is een optie. Maar dat betekent niet dat ie nú naar binnen wil. Dat kan ook over een uur zijn, want waarom haast? Dit is ook hoe een kind functioneert, in grote lijnen.

Hoe ouder je wordt, hoe meer objectief je wordt, hoe groter de problemen zijn die je creëert. Een kind heeft gewoonlijk geen grote problemen omdat het nog geen of weinig objectief vermogen heeft. Het heeft een subjectief vermogen, een beleving ín het moment. Die beleving is individueel en authentiek. En een kind kan gewoon beslissen wat het wil en wat het niet wil, daarvoor heeft het geen objectief vermogen nodig. Naar die staat ga je terug wanneer je dood bent, maar dan natuurlijk zonder al het andere wat nu wordt geassocieerd met kind zijn. Wat we nu doen, de verschuiving die plaatsvindt naar een geheel nieuwe beschaving, is een deel van die staat hervinden - terwijl we nog leven.

In deze wereld heb je objectief vermogen, het denken. Dat is puur een vertaalmechanisme, zodat je deze realiteit ook kunt begrijpen in objectieve zin. Op die manier kun je rationele beslissingen nemen, gebaseerd op lineaire tijd. Maar uiteindelijk is het de subjectieve beleving waar het je om gaat. Dat geldt niet alleen binnen deze realiteit, maar ook daarbuiten, ongeacht waar je verkeert. En subjectief – als bewustzijn – interesseert het je niet wat je hier beslist. Alles is simpelweg een keuze, want er is niet werkelijk een goede of foute, betere of slechtere beslissing. Dat is uitsluitend menselijke perceptie.

Een kind kan kiezen om nu hiermee te gaan spelen en daarna weer daarmee. Niet omdat het ene fout is en het andere goed: nu is het ene interessant en dan weer het andere en daarna weer het volgende. Als je dan aan een kind zou vragen: "waarom ga je daar nou mee spelen en niet met dit?", dan zegt het: "nou ik heb nu dáár zin in." Dat is het antwoord: nú heb ik dáár zin in. Niet "dat andere is fout".

Als het kind niet al teveel beïnvloed is door ouders, dan verveelt 't zich nooit. Een kind kent van nature geen verveling, is altijd gebiologeerd door alles wat er is en gebeurt, maakt niet uit wat het is. Het heeft nooit haast om bij het volgende te zijn. Dat geldt alleen als het kind niet al teveel beïnvloed is door volwassenen. Anders gaat het uitkijken naar allerlei dingen die er nog níet zijn: verjaardag, kerst, sinterklaas, dat papa weer thuis komt, etc. En oh, wat heerlijk als jouw kind jou gemist heeft. Dan weet je dat je belangrijk bent, iets betekent! (lacht). Daarom conditioneren ouders kinderen al snel om iemand te gaan missen. "Aaaah ja, je miste papa he?". "Nee", denkt dat kind. Maar op een gegeven moment, als je het vaak genoeg zegt en verwacht, dan gaat 't dat gedrag vertonen en maakt 't zichzelf afhankelijk van anderen.

Dat is in grote lijnen het verschil tussen objectief en subjectief. Het rationele, objectieve vermogen is onbruikbaar buiten deze realiteit en daarom laat je het vanzelf vallen. Dat idee is beangstigend voor sommigen, omdat ze zich realiseren dat ze zich daarmee ook niet langer zullen vasthouden aan hun idee van menselijke persoonlijkheid. Want dat komt voort uit dat objectieve vermogen, de overtuigingen die daarmee samenhangen. Maar niemand hoeft zich daarover druk te maken. Je wéét altijd wie en wat je bent, daar hoef je niet over na te denken. Daar heb je geen definitie voor nodig.

Een kind van drie wéét wie en wat het is. Daar is geen twijfel aan voor dat kind; ik bén wie ik ben. Dat is het antwoord, meer niet. Er is ook niets méér nodig. Het kind gaat gewoon spelen. Gaat dit doen, gaat dat doen. Vindt dit en dat, vindt dingetjes. Weinig of geen objectief vermogen. Dus dat is het probleem niet. En wie is er gelukkiger? Dat kind van drie, of jij? Laten we die gewetensvraag eens stellen. Wie is er gelukkiger? Dat kind of jij? Wie heeft er beter door hoe het werkt? Dat kind of jij? Volwassenen zijn over het algemeen zo trots op hun inzicht, realiteitszin en gezond verstand, maar een kind van drie is gelukkiger (glimlacht).